© 2018 All rights reserved by Elfi Voermans

  • Black Instagram Icon
  • Black Facebook Icon
  • Black LinkedIn Icon

Elfi Voermans

ALL THAT WE'VE LEFT BEHIND

@ZINDER TIEL

20.06.2019 - 21.07.2019

CURATOR&TEKST: MEREL VAN DEN NIEUWENHOF

Met het huisvesten van het werk van Elfi Voermans verandert Zinder in een gouden kathedraal, met de expositieruimte als kapel. Als in een kleine processie werden hier altaarstukken, urnen, een praalgraf en planten naar binnen gedragen, een spoor nalatend van dorre bladeren en aarde.
 

Het werk van Elfi Voermans staat in een rijke culturele traditie. Een traditie van devotie, met een beeldtaal die we kennen uit de Westerse kunstgeschiedenis. Een in goud gehulde tombe herinnert zowel aan Egyptische sarcofagen als aan grafmonumenten uit katholieke kerken. Het praalgraf wordt omringd door planten, als overblijfselen uit een andere tijd. Terwijl dood gebladerte een papierachtige textuur heeft gekregen en het ontbreken van bloempotten hun complexe wortelstelsel toont, lijkt de laag van de artificiële foamklei zich als een mos aan het gouden kleed te hebben gehecht. Een element van vervreemding, hoewel de jeugd het materiaal zal herkennen. Natuur en cultuur komen hier samen, de rollen draaien zich om, de verhoudingen verschuiven. Of om Elfi zelf te citeren: “Door de consumptiemaatschappij in stand te houden, maakt de natuur steeds meer plaats voor een kunstmatige leefomgeving. Hiermee lijkt de scheidslijn tussen natuurlijk of onnatuurlijk te verdwijnen en ontwikkelt zich een andere waarheid over wat een natuurlijke habitat is.”

Opgeprikte hommels verenigen zich in hun nieuwe context met hun onnatuurlijke vijand: de insectenverdelger (in dit geval met de mooie titel ‘Vliegende insectenspray’). Gedroogde bloemblaadjes staan op gelijke voet met zwart geworden bananenschillen. Samen met de felgekleurde foamklei, blauw schuimrubber en knopspelden vormen ze hedendaagse Vanitas-stillevens, verwijzend naar de vergankelijkheid en vluchtigheid van het leven. All that we’ve left behind verwijst zo niet alleen naar persoonlijke herinneringen, maar ook naar ons gezamenlijke handelen als mensheid, waardoor de natuur steeds verder wordt teruggedrongen. Zal wat in het verleden ligt ooit nog terugkomen? Of is er geen weg meer terug?

Het is niet alleen de scheidslijn tussen natuurlijk en onnatuurlijk die verdwijnt. Ook de gevoelens die het werk oproept verschuiven. De schreeuwende neonkleuren die je naar binnen lokken zijn niet alleen maar vrolijk, de thematiek van het werk geeft niet slechts reden tot treuren. Want hoezeer we de mestkevers nog leven zouden gunnen, heb je hun glimmende buikjes ooit zo goed kunnen bekijken? En krijgen de massaal gestorven hommels, de tragische bijvangst van een chemische behandeling tegen buxusmot, niet een prachtig tweede leven? Met enerzijds de herkenbaarheid van de beeldelementen kijken we anderzijds naar een compleet eigen iconografie met persoonlijke symbolen. Zoals het vleesmasker, gehangen op ooghoogte van de maakster, of de lange vlecht die uit een urn hangt. Een Madonna met kind, omgeven door een aureool die evengoed een doornenkroon als een stralenkrans zou kunnen zijn. En hoe kijk je naar het praalgraf als je weet dat een van Elfi’s zoontjes daar model voor was?

Als stillevens waarin verschillende texturen eeuwenlang als proeve van het eigen kunnen in verf werden uitgedrukt, bestaat het werk van Voermans daadwerkelijk uit verschillende materialen. Het element van vergankelijkheid, in de zeventiende eeuw bijvoorbeeld uitgedrukt door het bederven van eten en het verwelken van bloemen, wordt hier verbeeld door de toevoeging van een skeletje, een uitgebloeide roos of een beschimmelde boterham. Afgevallen takjes en bladeren worden liefdevol teruggeplaatst op de oorspronkelijke plek, de reparaties zichtbaar door roze hete lijm. Het brengt een aan wabisabi (het Japanse principe van een empathische schoonheid) grenzende ontroering teweeg; ook hier is het het besef van de kortstondigheid van het leven die ons een gevoel van schoonheid laat ervaren.

De aandachtige omgang met haar materiaal vertaalt zich ook naar het maakproces.Waar onze wegwerpmaatschappij wordt gekenmerkt door overconsumptie, vluchtigheid en verspilling geeft Elfi een tegengeluid. Zonder het hedendaagse uit te sluiten of te veroordelen, wijst ze ons op de schoonheid van wat wij doorgaans als waardeloos bestempelen, of waar wij simpelweg aan voorbijgaan. De vluchtigheid wordt door haar bezweert door arbeidsintensieve methodes te gebruiken. Juist in een periode waarin alles snel gaat en tijd het meest kostbare bezit van de mens is geworden, kiest Elfi er bewust voor om het proces te vertragen. Als contempleren of prevelen, waarbij je je overgeeft aan het uitvoeren van een alsmaar herhalende handeling. Of als in een gebed, waarmee je je tot een hogere macht richt. Het contempleren vertaalt zich in deze tijdelijke ‘kapel’ naar het kijken. Hoe vaker en langer je kijkt, hoe meer details zich openbaren en betekenislagen zich prijsgeven. En wie weet ontrafelt zich langzaam het mysterie van symbolen, al kennen die niet slechts één waarheid.